Search
  • Jesse Havinga

Over Mitchell’s artikel Uber Eats, het koloniseren van de toekomst en groei-tussen-aanhalingstekens

Een van de grote problemen van onze tijd, zo hoor je vaak, is dat ons economisch systeem is gebouwd op groei - en onze planeet niet, wordt er dan aan toegevoegd. Visueel catchy samengevat in Kate Raworth’s donut: we moeten toe naar een circulaire economie die rekening houdt met zowel planetaire grenzen als sociale ondergrenzen. Dit idee, dat groei het fundamentele probleem is van onze huidige samenleving, balt handig kapitalismekritiek en zorgen over het klimaat samen. Kapitalisme vereist groei (wat gepaard gaat met een groei aan broeikasgassen), en het klimaat raakt hierdoor uit balans. Het is een eenvoudige, en daarom makkelijk te verspreiden analyse. Maar deze kritiek, die inmiddels bijna gemeengoed is geworden (al is dat misschien te optimistisch), geeft misschien alsnog teveel credit aan kapitalisme.


Misschien is het namelijk beter, zo suggereert Timothy Mitchell in een artikel getiteld Uber Eats: How Capitalism Consumes the Future (te lezen in de Critical Zones catalogus, sowieso waard om te kopen omdat er zo ongelofelijk veel goede dingen in staan), om groei als een lokaal fenomeen te zien. Door groei als een aspect van een universeel systeem te zien, voedt het wellicht narratieven van machteloosheid. Als groei en vooruitgang aspecten van een wereldwijd systeem zijn, dan vereist het stoppen ervan bovenmenselijke (bovenstatelijke, boveneuropese…) krachten. Maar hoewel er ontegenzeggelijk processen zijn die zich in toenemend tempo hebben afgespeeld, zoals bijvoorbeeld de winning van fossiele brandstoffen, zijn er net zo goed processen van (toenemende) afname: de omvang van het regenwoud, de vrije tijd van de meeste mensen, etc. Groei is, kortom, niet een aspect van een groots historisch proces (vooruitgang!) maar een lokaal, beperkt fenomeen dat parallel loopt met de afname van andere dingen. Door groei als een betrekkelijk beperkt fenomeen te zien, lukt het misschien ook beter om de oorsprong van dit begrip te plaatsen. Mitchell laat zien dat groei (in ieder geval óók) een specifiek economisch begrip is, verbonden met specifieke ‘apparaten’ en praktijken uit de economische theorie. Het verhaal van Uber helpt om dit te begrijpen.


Hoe kan het dat Uber ten tijde van haar beursgang in 2019 82 miljard dollar waard ‘bleek’ te zijn? Zoals Mitchell benadrukt had het bedrijf geen bezittingen (de chauffeurs van Uber rijden in eigen auto’s) en evenmin had het ooit winst gemaakt. Het werd in het nieuws al snel getypeerd als een bizarre vorm van waardecreatie, alsof deze uit het niks was ontstaan. Maar het is minder mysterieus dan het in eerste instantie lijkt. Uber heeft gewoon een heel erg goede, praktische manier gevonden om, in de woorden van Mitchell, de toekomst te verorberen. En die manier is niks nieuws: de joint-stock company oftewel naamloze vennootschap (NV), de vorm waarin Uber bestaat en die ze nodig heeft om deze waarde te creëren, bestaat al ruim 150 jaar.


Maar in welke zin consumeert Uber de toekomst? Veel gebruikelijker om het te hebben over een ‘investering’ (de initiële inleg, zoals bijvoorbeeld de 5 miljoen dollar die Goldman Sachs in 2011 in Uber stak. In 2019 was dat opeens meer dan een half miljard waard, een stijging van ruim 1000%) en ‘groei’ (dat zich vertaalt in dividend). Maar waarom zouden we er vanuit gaan dat Uber gaat groeien? Het bedrijf had immers tot dan toe alleen maar verlies geleden. De truc is natuurlijk dat Uber (en haar investeerders) er vanuit gingen dat er in de toekomst wél winst gemaakt kon gaan worden. Na ongeveer zes jaar, waren de voorspelling in 2019, zou het bedrijf stoppen verlies te draaien. Dan zou het namelijk alle concurrentie (behalve - in Amerika - Lyft) weggedrukt hebben - precies doordat Uber zulke lage prijzen rekende voor haar ritjes, wat weer mogelijk was door het ingebrachte startkapitaal van een stel durfkapitalisten. De ‘gok’ was dus eigenlijk als volgt: áls het Uber lukt om de concurrentie weg te prijzen, dan kan het straks zonder gevaar en zonder weerstand de prijzen per rit en het percentage dat de chauffeurs aan Uber moeten afstaan omhoog gooien (een principe dat bekend staat als monopoly rents). De joint-stock company is, volgens Mitchell, een praktische manier om deze hele situatie te kunnen waarderen in het heden. Om de beloofde toekomstige winsten te vertalen naar het nu. Door aandelen te verkopen, bieden de investeerders - de eigenaars van het bedrijf - een vorm van eigendom te koop aan, namelijk “ownership today of income taken from the future.” Die enorme waardebepaling van Uber komt dus niet uit het niets, maar is volledig afhankelijk van deze methode om geld te verdienen door middel van een private claim op de toekomst.


Om het een slimme (en geenszins moedige, wat het woord ‘durfkapitalisten’ toch lijkt te suggereren) investering te laten zijn, is een bepaald soort toekomst dus noodzakelijk. De mogelijkheid om de tarieven te verhogen, de noodzaak om (kostbare) regulatie te verhinderen, om de eis voor betere (wederom kostbare) werkomstandigheden te kunnen dwarsbomen - al deze dingen garanderen - en moeten garanderen - dat de investeerder en de aandeelhouder waar voor z’n geld krijgt. Dat het bedrijf inderdaad groeit. Zoals het had beloofd. Uber’s chauffeurs en passagiers betalen deze groei kortom uit eigen zak. “The shareholder corporation is an apparatus for colonizing time.” In plaats van geografische kolonisatie (rijkdom hier door het ergens anders weg te halen) kolonisatie van de toekomst: rijkdom nu door het van de toekomst af te pakken. Een verarming van de toekomst is het logische gevolg.


Niks hiervan is nieuw. Mitchell haalt de econoom Velben aan, die in 1923 precies dit mechanisme beschreef. Wat wel nieuw is, of in ieder geval verrassend, is volgens Mitchell de taal waarmee we dit fenomeen zijn gaan beschrijven. De economische discipline voorop, maar het is net zo goed onderdeel geworden van een soort gezond-verstand-kijk op investeringen, groei en waarde. Hoe kan het dat we deze verarming van de toekomst - en de weg daarna toe - zijn gaan beschrijven als groei?


Ten eerste door de waardevermeerdering toe te schrijven aan technologische innovatie. Dat is in het geval van Uber snel weerlegd: het bedrijf heeft niets bijzonder nieuws bedacht. De smartphone, GPS, elektronische betalingen en het feit dat bijna iedereen een eigen auto bezit (vooral in Amerika) - dit alles was er al. De app was wellicht nieuw, maar ook weer niet zo enorm. Rond dezelfde tijd kon je voor het openbaar vervoer, voor het bestellen van een pizza bestellen of het bestellen van online pakketjes rekenen op eenzelfde coördinatie van bovenstaande (bestaande) technologieën. Uber vond simpelweg een andere manier om geld te verdienen aan het feit dat mensen eigen auto’s bezitten. Net als oliebedrijven, de financiële industrie (bijvoorbeeld door het verlenen van autoleningen, een collectieve schuld van inmiddels meer dan 1.2 biljoen dollar in Amerika) en vastgoedontwikkelaars (al die auto’s moeten ergens staan).


Een andere ‘innovatie’ is misschien het feit dat Uber de beschikking heeft over bergen data. Data die des te waardevoller wordt naarmate er minder concurrentie is. Dat maakt het immers steeds makkelijker om de hoogst mogelijk prijs per rit te berekenen, of het tarief dat van chauffeurs gevraagd kan worden. Hoe minder concurrentie, hoe ‘geslotener’ het systeem, hoe meer er te ‘experimenteren’ valt met economische modellen. Het feit dat Uber dit kon doen, dat ze hun deel van de wereld steeds meer konden laten lijken op een economisch model, werd door economen van het bedrijf in een academisch artikel beschreven als waardecreatie. Met de data konden de economen namelijk becijferen dat het verschil tussen de prijs die Uber op dat moment rekende en de prijs die passagiers bereid waren te betalen ongeveer 60% was. Dat kwam neer op een ‘consumer surplus’ van grofweg 6.8 miljard dollar. Het dichten van dat gat wordt vervolgens gepresenteerd als waardecreatie. De econoom Levitt beschreef Uber’s situatie (goedkeurend) als “the embodiment of what the economist would like the economy to look like.”


Zoals Mitchell schrijft is het veel eerder zo dat wat in eerste instantie op een technologisch innovatie lijkt, leidt tot allerlei nieuwe inefficiënties en kosten. Uber bezit geen auto’s, dus moet elke chauffeur zelf een auto kopen en zelf reparaties betalen (dus geen voordeel van massaal inkopen, of een collectieve reparatieservice). Bovendien, net zoals bij ‘zelfstandige’ fietskoeriers, gelden chauffeurs van Uber niet als werknemers, waardoor een hele set aan wettelijke regels omzeild kan worden.


En zo lijkt het erop dat alle vormen van ‘waardecreatie’ door Uber neerkomen op het vernietigen van bestaande instituties, zoals bijvoorbeeld het openbaar vervoer. Door hun - door de durfkapitalisten gesubsidieerde - prijsbeleid kon Uber zoveel passagiers weglokken van het openbaar vervoer dat het volgens een rapport leidde tot 160% meer wegverkeer (en méér CO2-uitstoot, maar minder doorvoer…)


De tweede move die Mitchell beschrijft fascineert me al langer. Het is iets wat hij eerder al uitgebreider beschreef in zijn boek Carbon Democracy, en waardoor ik, toen ik het las, meteen gegrepen werd. Hij beschrijft daarin hoe de economie een object werd, met een meetbare omvang. Tot voor de Grote Depressie werd de economie gezien als een proces, als een werkwoord (“to economize”), maar niet als de beschrijving van een bepaald object. Dat kwam op, zo betoogd Mitchell, doordat de impact van The New Deal op de één of andere manier inzichtelijk gemaakt diende te worden. Economen begonnen met het in kaart brengen van alle productie (die per definitie gelijk kwam te staan aan de consumptie) en konden zo processen van groei en afname beschrijven met betrekking tot dit nieuwe object: ‘de economie.’


Zo wordt ook in het geval van Uber vaak gezegd dat investeerders worden beloond voor het in elkaar knutselen van een welvarender toekomst voor iedereen. Hun winsten zijn dan een uitdrukking van deze toegevoegde waarde. Een ‘grotere’ economie komt ons allemaal ten goede, is het idee. Volgens Mitchell is dit idee van economische groei slechts een alibi, waarvan hij twee aspecten onderscheidt: groei van individuele bedrijven, die we vervolgens bij elkaar optellen en ‘de economie’ noemen (als de set van alle bedrijven, dus).


Zo wordt het kopen van aandelen (‘investeren’) als een bijdrage aan een steeds grotere economie gezien - en de ‘groei’ in waarde als de beloning die je daardoor hebt verdiend.


Mitchell beargumenteert dat je dit hele proces beter andersom kunt begrijpen. Groei bij individuele bedrijven wordt geconstrueerd door middel van twee principes: rente en discounting (geen idee of daar een goede Nederlandse term voor is - afprijzing?). De prijs van aandelen die door de originele investeerders worden uitgegeven wordt berekend aan de hand van discounting, namelijk door een vergelijking te maken met wat een investeerder had kunnen verdienen door in willekeurig welk ander bedrijf te investeren. De standaard manier om dit te berekenen is door de rente te nemen - wat een bank zou vragen mocht het dit geld als lening hebben uitgegeven. Maar rente is geen natuurlijk aspect van geld. Daar zijn bepaalde instituties voor nodig, zoals bijvoorbeeld de joint-stock company, die op een min of meer betrouwbare manier inkomsten naar de toekomst kunnen uitstellen. (Mitchell zegt hier tussen neus en lippen door dat er zonder deze mechanismen geen ‘time value of money’ zou bestaan, en misschien überhaupt geen geld).


Hoe dan ook: de rente wordt als basis genomen om de toekomstige inkomsten mee te berekenen. Stel, schrijft Mitchell, dat de rente 10% is. Omdat het aandeel pas in de toekomst geld gaat opleveren, wordt de prijs van dat toekomstige geld dus ‘afgeprijsd’ met 10% per jaar. Voor een euro over één jaar betaal je dus 90 cent, voor een over tien jaar betaal je 39 cent, etc. Maar dit hele proces is afhankelijk van manieren om vervolgens in diezelfde toekomst die afprijzing waar te kunnen maken. In plaats van groei is het dus veel preciezer om het over krimp te hebben - krimp van bepaalde materiële omstandigheden in de toekomst. Het koloniseren van de toekomst, dus. “We have come to inhabit a world governed more and more by such arrangements [to reliably capture and colonize the future]. We diminish the value of the future by developing mechanisms to acquire it cheaply in the present, then experience the path to that future as ‘growth.’”


Op één niveau hoger gebeurt hetzelfde met ‘de economie.’ Dat is net zo goed een manier om de toekomst nu alvast te verorberen. Als we spul kopen en leningen aangaan wordt dit gemeten als een bijdrage aan ‘de economie,’ en als we vervolgens onze leningen afbetalen wordt ook dit gezien als ‘groei.’ “We live in a world organized to place the future in debt, with the income discounted to the creditor and later repaid in full by those encumbered or indebted.”


Een paar losse gedachten bij dit artikel:


  1. De tegenwerping dat wettelijke reguleringen, kwijtscheldingen (van schulden) en andere manieren de macht van investeerders in te perken de economie schaden is dus niet onwaar. Het klopt: het schaadt ‘de economie’ - gezien als object. Maar dat is het punt niet. Reguleringen, andere instituties: het zijn andere manieren om ons tot de toekomst te verhouden. Andere manieren van waardering, van waardecreatie. Ze verhouden zich tot een andere ‘economie.’

  2. Welke mechanismen tuigen we tegenwoordig allemaal op waardoor de afhankelijkheid van een bepaalde toekomst groter wordt? De studieschuld waardoor het nog belangrijker wordt om goedbetaald werk te vinden (gelukkig valt dat nog mee in het Nederlandse stelsel), bijvoorbeeld.

  3. ‘Groene groei’ is een vreemd idee, als ‘groen’ meer wil betekenen dan de productie van zonnepanelen en windmolens. Als het zo nauw wordt opgevat kan dit natuurlijk bestaan. Er is niks inherent aan een zonnepaneel dat ervoor zorgt dat investeringen in deze technologie géén kolonisering van de toekomst zijn. Maar als ‘groen’ iets wil betekenen als een andere kijk op productie en onderhoud, en op de economie in het geheel, dan snap ik de combinatie van deze twee woorden niet.

  4. Verzet tegen het vereconomiseren van onze wereld dient niet te gebeuren door te laten zien dat de modellen die worden gebruikt niet kloppen, maar vooral dat ze niet relevant zijn, zoals Stengers en Savransky dat woord gebruiken, dat ze niet gevoelig zijn voor het feit dat bepaalde concrete situaties come to matter, dat deze meegenomen dienen te worden, dat deze situaties dus als probleem inbreken in het model. Heel fijn als een situatie beschreven lijkt te kunnen worden aan de hand van een model, maar het kan geen argument zijn om de situatie te laten voortduren omdat het zo mooi binnen het model past.




48 views0 comments

Recent Posts

See All