Search
  • jessehavinga

Gedachten bij het 'parlement der dingen'

Ter ere van het uitreiken van de Spinozalens aan Bruno Latour worden er nu allerlei dingen georganiseerd die een link hebben of proberen te maken met zijn werk. Een van die initiatieven is een ontwerpwedstrijd rondom Latour’s idee van het ‘parlement der dingen.’ Ik doe samen met een groepje mee aan zo’n ontwerp. Mede-organisator ‘de Ambassade van de Noordzee’ kwam met de mogelijke onderwerpen voor de projecten op de proppen. Wij kozen die over onderwatergeluid (in de Noordzee). Probleem: veel ‘menselijke’ activiteiten in en op de zee veroorzaken geluidsoverlast voor het leven in de zee, maar hoewel er wel langzaamaan steeds meer instrumenten worden ontworpen en onderzoek wordt gedaan naar de effecten hiervan op het zeeleven, is er een groot gebrek aan manieren om deze problematiek te representeren, om dit op de een of andere manier in kaart te brengen. Dit laatste lijkt een belangrijke stap als we serieus werk willen maken van het politiseren van onze verwikkelingen met de Noordzee.


Nu las ik een paar jaar geleden voor het eerst over dit idee van Latour, en het is altijd goed om te merken wat er allemaal moet gebeuren als je met zo’n idee een kleine, concrete situatie te lijf gaat, zoals deze ontwerpwedstrijd. In zekere zin is het woord dat Latour voor zijn idee bedacht ook iets te succesvol gebleken vergeleken met de inhoud ervan. Parlement der dingen; het klinkt al als een concrete oplossing voor het urgente probleem van tekortschietende of simpelweg ontbrekende assemblages voor het representeren van meer-dan-menselijke politieke kwesties. Het probleem is alleen dat het dat niet is: het probleem is dat het parlement der dingen slechts een goed woord geeft voor het probleem zelf. Denk ik.


Nu zijn er natuurlijk manieren om het woord vrij letterlijk op te vatten: men neme een parlement - mensen op stoeltjes in een vaak halfronde zaal die het woord doen voor anderen die ergens anders zijn - en men voegt daar dan een nieuw element aan toe: de tot voor kort politiek genegeerde ladingen niet-mensen. Latour zelf hielp mee aan de organisatie van zo’n soort opstelling voorafgaand aan de klimaatconferentie in Parijs in 2015 zo’n soort parlement, een eerste poging om dit idee ‘een plek te geven.’ Théâtre de négociations - zo noemden regisseurs Philippe Quesne en Frédérique Aït-Touati deze simulatie. Regisseurs, inderdaad, want om een idee te verwerkelijken moet er wel eerst een podium zijn, plus een script en mensen die aanwijzingen geven. Tijdens dit experiment kregen de ongeveer 200 deelnemers de opdracht om een parlementaire procedure à la de Verenigde Naties uit te spelen waarin nu niet alleen landen maar ook bijvoorbeeld ook ‘oceanen,’ ‘inheemse volkeren’ en ‘de atmosfeer’ werden vertegenwoordigd.


Knullig, ja. Ontoereikend, ja. Onrealistisch, ja (‘Inheemse volkeren’?) Allemaal waar, maar vervolgens hangt alles af van wat je daarna zegt of doet. Als je deze overduidelijke fictieve situatie veroordeelt om terug te keren naar de ‘realistischere’ situatie waarin bijvoorbeeld natiestaten of bevolkingsgroepen worden gerepresenteerd, dan ben je misschien vooral vergeten hoe ontzettend fictief elke nieuwe politieke opstelling in eerste instantie is. Als je terugschrikt vanwege de onhandige verzamelnamen (‘inheemse volkeren’!?), dan is dat alsof je dansen opgeeft omdat je eerste pasjes er zo klungelig uitzien.


Latour schrijft in Oog in oog met Gaia hierover dat “het [er vooral op aan] kwam te beseffen hoe onrealistisch het is om alleen aan natiestaten de verantwoordelijkheid te geven voor het oplossen van problemen die juist uit hun zeer utopische, of tenminste zeer weinig aardse vormen van bodemgebruik zijn ontstaan. In de vorige twee lezingen zagen we dat staatsgrenzen een oplossing boden voor een vraagstuk dat van vier eeuwen geleden dateert: aan de ene kant dwongen ze doorgeslagen religies tot vrede en aan de andere kant zorgden ze ervoor dat land dat tot op dat moment door andere collectieven was bezet onbeperkt kon worden ingenomen. Vier eeuwen later, na de imperiale expansie, de kolonisatie, de dekolonisatie, de mondialisering, heeft een vergadering van 195 staten niets realistisch meer.”


Onder meer hierom dus nu een Ambassade van de Noordzee in Nederland. Maar dan begint het werk pas, natuurlijk. Hoe nu ‘waarachtig’ te spreken vóór de Noordzee? Hoe representeer je zoiets als een zee, een uiterst complex ecosysteem, vol van dieren en wieren en belangen? Hier komen nog een paar andere kwesties bij: betekent het representeren van ‘de natuur’ dat we deze dan een parlement moeten binnenslepen? Of zijn er andere constructies mogelijk? Daarnaast de kwestie van ‘antropomorfisme:’ lopen we tijdens dit hele project niet het risico om de zee in een al te menselijke vorm te gieten? Ten slotte de hele praktische en voor ons groepje urgente vragen naar wat we waar kunnen bijdragen. Is het genoeg om het probleem beter te definiëren of is het probleem al helder genoeg en moeten we aan een oplossing bijdragen? Of kritiek leveren? Moeten we Shell zien te overtuigen van de belangen van de Pieterman of de Hollandse garnaal, of riskeren we daarmee juist dat Shell wéér een sleutelfunctie krijgt? Die eerste paar vragen misschien een keer in een latere post, hieronder iets over de laatste paar vragen.


Om bij de laatste vraag te beginnen: is het nodig om partijen als Shell - die hier even representant is van de grote industrie in Nederland - aan boord te krijgen bij dit soort politieke innovaties? Het is gemakkelijk om te bedenken waarom we dat zouden willen. Shell verzet bergen. Als Shell iets verandert aan haar activiteiten, andere investeringen doet of inzet op andere technologieën, andere bedrijfsstructuren, dan legt dat een boel gewicht in de schaal. Omgekeerd kan je dan al snel denken dat elke mogelijke interventie, elke innovatie, elk nieuw instrument of institutie bij voorbaat kansloos is als ze de industrie niet weet te overtuigen. “Leuk idee, maar uiteindelijk bepaalt de grootindustrie wat er wel en niet gaat gebeuren.” Bestaande machtsverhouding zijn hier het uitgangspunt. Het is nu eenmaal zo dat macht scheef is verdeeld, en als je doel is om de omgang met de Noordzee te veranderen zul je dus in zekere zin de grote partijen aan jouw kant moeten krijgen. In een wereld met ongelijk verdeelde macht is elk klein, nieuw idee misschien sympathiek, maar zonder ‘gevaar’ - weerloos tegen de wil van de industrie.


Twee gedachten hierbij. Ten eerste is het gevaar van deze focus op bestaande machtsverhouding, dit zogenaamd realistisch onder ogen zien van hoe de situatie nu eenmaal is, dat deze strategie datgene versterkt wat het probeert te verzwakken. Shell wordt, nog meer dan ze al is, tot een obligatory passage point gemaakt: de plek waar iedereen langs moet voor goedkeuring. Probleemdefinities, mogelijke ontwerpen en ideeën worden dus vrijwillig (geboren uit het idee van noodzaak) voorgelegd aan degene die waarschijnlijk het minste baat heeft bij verandering. Het ‘redigeren’ van zulke projecten deels overlaten aan partijen als Shell zorgt er dus voor dat je wordt gedwongen om dezelfde taal als hen te spreken - wat vaak juist precies een deel van het probleem is.


De focus op machtsverhouding dreigt een situatie die allemaal potentieel heeft om te veranderen (de distributie van machten in Nederland omtrent energie, bijvoorbeeld) te verstarren en tot een statisch geheel te maken. De geschiedenis van wetenschappelijke en technologische innovaties staat daarentegen juist bol van voorbeelden waaruit we kunnen leren dat macht(en) op de meest onverwachte manieren opnieuw verdeeld worden. De ontwikkeling van de anticonceptiepil die er indirect voor heeft gezorgd dat de homobeweging sterker kwam te staan; de vondst van olie en ontwikkeling van pijplijnen die de kolenindustrie overschaduwde en daarmee tegelijkertijd een steeds krachtigere arbeidersbeweging de pas afsneed; sociale media die de positie van de traditionele media totaal veranderen. Al deze voorbeelden hebben gemeen dat ze niet eerst probeerden de bestaande ‘machten’ te overtuigen van de noodzaak van verandering, maar eerst het bestaande landschap zodanig hebben aangepast zodat verandering mogelijk en zelfs onvermijdelijk werd.


Het zijn vluchtige gedachten, maar mijn voorlopige conclusie is dat de gedachte dat men de bestaande machten - de Shells van de wereld - moet zien te overtuigen van de noodzakelijke veranderingen een heilloze weg is. Het onderschat de mogelijkheid van nieuwe technieken - intellectueel of materieel - om machtsverhoudingen te veranderen. Het overschat de waarde van deliberatie. Politiek activisme kan zich dus, lijkt mij, beter zo min mogelijk aantrekken van de bestaande machten. Versterk en vermeerder het mogelijke, in plaats van steeds het ‘bestaande onmogelijke’ te benadrukken.





16 views

Recent Posts

See All

© 2019 door Jesse Havinga. Gemaakt met wix.com