Search
  • jessehavinga

Cosmopolitics I / Tussen Tijd en Eeuwigheid

Een paar weken terug kocht ik van een man die ten zuiden van Groningen ingegroeid tussen de bomen woonde het boek Tussen Tijd en Eeuwigheid (TTE). Deel van mijn zoektocht naar alles wat Isabelle Stengers geschreven heeft. Dit boek schreef ze samen met Ilya Prigogine, een fysisch chemicus die een paar maanden voor de revolutie van 1917 in Rusland geboren werd maar daar al snel wegging omdat zijn ouders een ‘lastige verhouding’ hadden met het nieuwe regime. Ze vertrokken naar België, waar hij en Stengers elkaar uiteindelijk zouden ontmoeten - de in eerste instantie scheikunde studerende Stengers volgde colleges bij hem.


De man van wie ik het boek kocht was hoogleraar microbiologie geweest in Groningen. Hij had spijt dat hij het boek niet had gelezen, zei-ie toen ik vroeg of hij het boek nog in z’n voorraad had, want het klonk allemaal erg interessant. Maar hij had ruim 8000 boeken en wilde z’n kinderen straks niet opzadelen met een zeecontainer aan boeken. Voor 8 euro mocht ik het hebben.


“Het is een raadsel waarom de natuurkunde vanaf de tijd van Galilei altijd heeft gekozen voor eeuwigheid in plaats van wording. Waarom heeft de natuurkunde steeds weer de richting van de tijd genegeerd, terwijl die richting toch juist de verbondenheid weergeeft tussen onze eigen ervaring en de wereld waarin wij leven?” Aldus vraagt de flaptekst. Hoewel Prigogine voor zijn werk aan ‘dissipatieve systemen’ - kortweg systemen die niet in evenwichtstoestand verkeren - een Nobelprijs won, had ik nog niet van zijn werk gehoord, ook niet tijdens een vak op de universiteit waarin het expliciet over de ‘pijl van de tijd’ ging. Dit werk deden ze in de jaren ‘70, en dit boekje schreven ze in 1988, dus de kwestie van hoe het ontvangen wordt is natuurlijk nog open, maar hoewel iemand onder een interview met Prigogine op youtube schrijft dat hij in een rijtje met Newton en Einstein thuishoort krijg ik veeleer het idee dat Prigogine nogal een randfiguur is gebleven binnen de natuurkunde.


Het feit dat de ‘terugkeer van de tijd’ binnen de natuurkunde - toch de inzet van het boek - niet met open armen ontvangen werd, lijkt een belangrijke gebeurtenis voor Stengers te zijn geweest. Ik lees nu Cosmopolitics, waar ze veel aandacht besteed aan de vraag naar de relatie tussen wetenschappelijke praktijken onderling, en hun relaties met ‘daarbuiten,’ een probleem dat ze karakteriseert als een ecology of practices. Een terugkerend thema is dat van de wijze waarop wetenschappen zich ‘presenteren’ aan elkaar - de vraag naar wat de ene wetenschap kan betekenen voor, of kan veroorzaken - moet veroorzaken - binnen een andere praktijk. Dat het ene inzicht, of het ene succesvol geconstrueerde feit binnen de ene praktijk zich daarbij niet ‘automatisch’ verspreid over de rest van de praktijken, is volgens Stengers belangrijk. De ‘beperkingen’ (constraints) waarbinnen de ene wetenschap manoeuvreert, de eisen waaraan haar bewijzen moeten voldoen, zijn niet automatisch die van de anderen. Natuurlijk niet - in zekere zin definiëren deze eisen ook de wetenschap als die wetenschap.


Dus wanneer Stengers en Prigogine in TTE betogen dat het negeren van de richting van de tijd voor enkele grote problemen binnen de natuurkunde zorgt, en bovendien de vraag oproept welke relatie de natuurkunde heeft met de wereld waarin wij leven, waarin geschiedenis wordt geschreven en waarin daadwerkelijk nieuwe, soms onvoorspelbare dingen gebeuren, zijn ze duidelijk begonnen aan een lastig project. Hoe de natuurkundige te verleiden om de ‘fricties’ van de wereld waarin we leven te behandelen als relevante natuurkundige data, terwijl dezelfde natuurkundige is opgevoed met het idee dat juist die neiging onwetenschappelijk is.


In zekere zin borduren Prigogine en Stengers voort op Bergson, die de natuurkunde (en specifiek Einstein) bekritiseerde omdat de tijd van de natuurkunde geen overeenkomst vertoonde met de ‘geleefde tijd.’ Alleen waar Bergson pleitte voor een natuurkunde die in de eerste plaats opgebouwd zou worden met de geleefde tijd als criterium, proberen Stengers en Prigogine te laten zien dat het negeren van de tijd specifieke, natuurkundige redenen heeft en ook een natuurkundige oplossing verdient. Dit is een belangrijk punt voor S&P, gerelateerd aan wat ik hierboven noemde over de specifieke beperkingen van de wetenschappen, namelijk dat een filosofisch argument over de ervaring van de tijd weinig zoden aan de dijk zet binnen natuurkundige discussies. Bergson ‘verloor’ de discussie immers ook van Einstein. De ‘grote, filosofische vragen,’ waaronder die van Bergson - daar houdt een serieus wetenschapper zich niet mee bezig. Dit laatste is iets waar Stengers vaak naar terugkeert, met name in het veel later geschreven Another Science is Possible, gebruikmakend van het Deleuziaanse begrip psychosocial type: ‘de’ natuurkundige moet zich vooral niet druk maken over al die filosofische of metafysische kwesties, over de grote vragen en over ‘de menselijke ervaring.’ Dat desondanks natuurkundige inzichten natuurlijk wel op allerlei manieren ‘naar buiten’ druppelen en hun weg vinden in allerlei andere praktijken is natuurlijk zo helder als wat. Volgens mij is dit een van de problemen waar Stengers vooral in Cosmopolitics over schrijft: Hoe kunnen we ervoor zorgen dat wetenschappers zich weer laten beïnvloeden door deze (mogelijke) gevolgen? Hoe kunnen we ervoor zorgen dat het werk dat ze doen, de wereld die ze beschrijven, gevoelig is voor de toevalligheden en problemen van de wereld waarin wij - en ook zij - allemaal leven. How to civilize the sciences? noemt ze het ergens anders.


in TTE staat dus zoals gezegd het probleem van de tijd centraal. Kort gezegd is het ‘probleem van de tijd’ dat ‘voor’ en ‘na,’ toch behoorlijk onmisbare begrippen in ons leven, geen ‘werkelijk’ fysische betekenis hebben. Het gevolg is dat fysische processen ‘in principe’ omkeerbaar zijn. Dus dan zou het feit dat wij wel onomkeerbaarheid ervaren (gisteren is onherroepelijk verloren) slechts het gevolg zijn van onze fenomenologische ervaring of anders simpelweg een gebrek aan kennis. Binnen de dynamica van de 17e eeuw en de thermodynamica uit de 19e eeuw heersen twee verschillende, maar vergelijkbare determinismen: het determinisme van een omkeerbaar dynamisch systeem (de slinger) enerzijds en de onafwendbare zekerheid van de ‘warmtedood’ - de tweede hoofdwet van de thermodynamica die stelt dat entropie toeneemt en dat we dus onvermijdelijk afstevenen op een situatie van maximale entropie, ofwel het ontbreken van enige activiteit, de dood van alles. Maar het gaat vooral over het tijdsbegrip in de quantummechanica en de kosmologie, het “front van de natuurwetenschappen van de twintigste eeuw.” Volgens P&N zijn zij echter, tenminste wat betreft het begrip tijd, de ‘directe erfgenamen van de klassieke dynamica,’ en negeren zij dus net zo radicaal de onomkeerbaarheid ervan.


Hoe P&N in TTE de pijl van de tijd weer terugbrengen binnen de natuurkunde is interessant, maar natuurlijk flink technisch. Helpt niet dat het boek lekker ouderwets geschreven is. Het maakt natuurlijk ook niet zo gek veel uit of ik de natuurkundige argumenten begrijp. Mij hoeven ze niet te overtuigen. Het leek mij - al lang voordat ik het boek las - wel handig als de wetenschap die structuur van de wereld zegt te beschrijven ook rekening houdt met het gegeven dat het hebben van een verleden en een toekomst van geen gering belang is. De uitdaging is niet om mij, een ontvankelijke, filosofisch opgevoede lezer, gevoelig te maken voor dit probleem, maar juist de natuurkunde en dan vooral iedereen die ‘in naam van’ de natuurkunde spreekt. Ook dit heeft weer te maken met de vraag naar de status van wetenschappelijke feiten: wie kunnen en mogen de beperkingen opleggen waaraan een natuurkundig bewijs moet voldoen? Met welke feiten heeft zij zelf rekening te houden? Welke doelen heeft zij voor ogen?


Het zijn die laatste vragen die door het hele boek lopen. Als de natuurkunde werkt met geïdealiseerde modellen, maar onze wereld in geen van de betekenissen ‘ideaal’ is, wat moeten we daar dan mee? Als we leven in een ‘wereld in wording,’ en niet in een statische wereld van evenwicht, zou dat dan niet moeten uitmaken voor onze natuurkundige theorieën? Bedenk wat bijvoorbeeld een concept als determinisme ‘aanricht’ buiten de natuurkunde, buiten de praktijk waarin dit begrip een strikte betekenis heeft, een betekenis die te maken heeft met specifieke dynamische modellen en situaties waarin van sommige systemen gezegd kan worden dat ze omkeerbaar zijn, dat wil zeggen dat gegeven de ‘staat’ van het systeem op een bepaald tijdstip, een andere staat op willekeurig welk moment - toekomst of verleden - bepaald kan worden. Maar buiten deze strikte grenzen zitten wij opgescheept met gekke friemels die op basis van eenzelfde soort redenering, met een totaal gedecontextualiseerd begrip als ‘staat,’ de onmogelijkheid van (menselijke) vrijheid ‘bewijzen.’


Ik ben op dit moment net door het eerste deel van Cosmopolitics heen (het is een bundeling van zeven ‘boeken’). Het hoofdstuk heet The Science Wars, refererend naar de gehele discussie die vooral de laatste twintig jaar van de vorige eeuw rondom de status van wetenschap en wetenschappelijke feiten speelde. De centrale vraag in deze polemiek was of wetenschappelijke feiten daadwerkelijk de natuur beschreven zoals zij is, of dat deze feiten slechts een product zijn van allerlei sociale processen, niks meer dan sociale constructies - een soort ‘wetenschappers zijn net mensen.’ Stengers verspilt gelukkig weinig tijd aan beide posities, ze is veel eerder geïnteresseerd in een herbeschrijving van de situatie die recht doet aan de op het oog tegengestelde passies.


De focus ligt weer op de natuurkunde, de ‘hardste’ van de harde wetenschappen immers. Als je natuurkunde ‘hebt,’ heb je ze allemaal. In ieder geval als je uitgaat van het Russische-poppen-model van de wetenschappen, waarin de een altijd voortkomt uit en dus in principe te reduceren is tot de ander. Stengers maakt gebruik van het begrip ‘factish’ van Latour om te laten zien dat wetenschappelijke feiten altijd twee, ogenschijnlijk tegengestelde, eigenschappen bezitten: zo gauw ze zijn geconstrueerd veranderen ze de beschrijving van de wereld waarin we leven en hebben geleefd. “...the neutrino is as old as the period in which its existence was first demonstrated, that is, produced, in our laboratories, and [at the same time] it dates back to the origins of the universe.”


Tot zover bekende kost voor mensen die Latour hebben gelezen. Interessant is dan ook juist om dit te lezen met het verhaal van TTE in het achterhoofd: wat is het punt van (filosofische) kritiek hier? Wat is het doel? Het ‘juiste’ beeld van de werkelijkheid? Is het genoeg om dit laatste dan in een boek op te schrijven? De notie van gesitueerdheid, de realisatie dat het uitmaakt wie wat waar ziet en zegt en doet, compliceert natuurlijk meteen de vraag wat de Stengers’ inzichten zelf aanrichten. Allemaal leuk en aardig om weer een boek te schrijven over de constructie van wetenschappelijke feiten, over de manier waarop zij tot stand komen, wat hun reikwijdte is, etc, etc - maar de vraag die daarna komt is natuurlijk hoe wat dat verhaal dan weer toevoegt aan de bestaanden. Als je niet meer gelooft in een wereld waarin de ene waarheid de andere onderuit kan halen door simpelweg ‘meer waar’ te zijn, waarin kritiek dus automatisch een zinvolle activiteit is, dan wordt het in plaats daarvan de vraag wat je waar moet toevoegen om iets te veranderen. Het wordt een vraag naar relaties en wording: Welke relaties willen we, welke relaties zijn waardevol, wat kunnen we worden?


Ik geloof dat Stengers dit ongeveer bedoelt als ze het heeft over een ‘ecology of practices.’ Ze preciseert daarbij meteen ook het begrip ecologie: dat is niet de vraag naar de juiste, statische verhouding tussen gegeven elementen, maar de vraag naar de relaties die we tot stand zouden willen brengen, zonder dat we daarbij beroep kunnen doen op een of andere transcendentie, een of andere overkoepelende macht (dus ook niet de natuurkunde). Dit soort ecologisch denken brengt ook de grappige realisatie met zich mee dat dit proces van ‘immanente relaties bouwen’, net zoals de neutrino er pas is sinds deze experimenteel bewezen is, en tegelijkertijd dateert sinds het begin van het heelal, altijd al aan de gang is geweest. “The only singularity of political ecology is to explicitly assert, as a problem, the inseperable relation between values and the construction of relationships within a world that can always already be deciphered in terms of values and relations. Which both changes nothing and changes everything, as is the case whenever what was implicit becomes explicit.”


Interessant aan dit alles vind ik dat tijd ook in dit verhaal uit Cosmopolitics een rol speelt. De onomkeerbaarheid - het feit dat we in een wereld in wording leven - moet dus ook een betekenisvolle rol krijgen als we het over politieke ecologie hebben. Ecologie betekent de onmogelijkheid van een ‘eeuwig standpunt,’ de God trick zoals Donna Haraway dat noemt, van waaruit we de werkelijkheid zoals die nou eenmaal is zouden kunnen beschrijven, om die vervolgens naast die irritant-imperfecte wereld van ons te leggen.








6 views

Recent Posts

See All

© 2019 door Jesse Havinga. Gemaakt met wix.com